dinsdag 26 januari 2016

‘lege’ plekken

‘Ik denk aan het strand waar ik een paar dagen geleden nog was. Het was er bitter koud. De horizon was beeldvullend, de lucht bedekte de hele bovenzijde en onder mijn voeten lag het zand, zo ver je maar kon zien. De wind sprong er tegen me op en beet in mijn wangen. Er waren wandelaars met stoomwolken om zich heen en verstrengelde paren met uniseks mutsen. Een voortgeblazen voetbal. Een hond die naar schuimflarden hapte. Een afscheidskus in de duinen. Soms is ruimte het beste bouwwerk dat je kunt neerzetten. Vooral in een dichtbevolkt land. Uitgestrektheid die voortdurend het toeval omlijst: een plein, een doodlopende steeg, een grasveld. Een strand. Alles gebeurt daar omdat er niets is voorgeschreven: het zijn tijdloze, beloftevolle plekken.

Eigenlijk heeft me dat nog het meest verbaasd aan die discussie over de bouwregels voor de Nederlandse kust: dat er zowel onder voor- als tegenstanders mensen waren die zo'n plek als 'leeg' bestempelden. Als in te vullen ruimte: een vel papier waarop je iets kunt tekenen. Of juist niet. Maar wie op die manier kijkt heeft iets prachtigs gemist: dat wat er is.’

Uit ‘De vrouw die niet van leegte houdt’, een column van Ester Naomi Perquin.

zaterdag 23 januari 2016

het boek van mijn levens (2)

‘Ik herinnerde me hoe hij een paar weken eerder op een paar Loyola-studenten was afgestapt die aan het tafeltje naast het onze zaten te babbelen, die copieus het woord like hadden misbruikt, en die nauwelijks even pauzeerden om adem te halen. Ik was geïrriteerd geraakt door onophoudelijke leegheid van hun woordenuitwisseling, de idiote frequentie van die likes, en ik kon maar niet stoppen met luisteren juist omdat ik geen idee had waar ze het over hadden. Maar ik verduurde het omdat we hier altijd wel afgeleid werden. Peter daarentegen explodeerde. 'Waarom praten jullie zo veel?' gilde hij vanuit het niets naar hen. 'Jullie praten nu al een uur, en hebben nog altijd niets gezegd. Koppen dicht! Koppen dicht!' De studenten hielden hun mond, doodsbang. Peters uitbarsting, hoe schokkend hij ook geweest moge zijn, was volkomen logisch voor mij – niet alleen treurde hij om het verspillen van de woorden, hij verafschuwde ook de morele gelatenheid waarmee ze verspild werden. Voor hem, in wiens strot de graat van de ontheemding voor altijd was blijven steken, was het verkeerd om over niets te praten indien er een eeuwigdurend tekort aan woorden was voor alle afschuwelijke dingen die in deze wereld plaatsvonden. Het was beter om te blijven zwijgen dan om iets te zeggen wat er niet toe deed. De stille plek diep in jezelf moest je zien te beschermen tegen het offensief van verspilde woorden (..).’ (p. 209-210; schuingedrukte regel is door mij gecursiveerd)

Uit Het boek van mijn levens van Aleksandar Hemon (uitgeverij Karaat 2015, vert. Charles Bors en Mauro Veen).

vrijdag 15 januari 2016

het boek van mijn levens

‘(..) het moment dat je op een verschil wijst, betreed je, onafhankelijk van je leeftijd, een reeds bestaand systeem van verschillen, een netwerk van identiteiten, elk ervan uitermate willekeurig en niet gerelateerd aan je intenties; geen enkele ervan een kwestie van keuze.’ (p. 16)

Uit Het boek van mijn levens van Aleksandar Hemon (uitgeverij Karaat 2015, vert. Charles Bors en Mauro Veen).

zaterdag 9 januari 2016

tussen de wereld en mij

Ik moet bekennen dat ik racisme een lastig (maar interessant) onderwerp vind. Toen de zwarte pieten-discussie oplaaide begreep ik er niet veel van. Dat wil zeggen dat ik er nog nooit over na had gedacht; dat ik een zwarte piet vanzelfsprekend vond, ik ben er mee opgegroeid, niemand in mijn omgeving had ooit twijfels bij het zwarte van de piet. Dat is natuurlijk juist het probleem, en het duurde even voordat ik dat begreep. Nog altijd zie ik racisme vaak niet. Ik vind dat een groot probleem, en ik vind dat ik mijzelf daar blijvend mee moet confronteren.

Racisme is lang verborgen gebleven, niet bij zijn naam genoemd. Ik blijf maar denken, als iemand (wie en waar dan ook) beweert geen racist te zijn, ik blijf maar denken: dat is het probleem, ontkennen of ontkrachten is een manier om de stem van een ander te bagatelliseren; dat is het probleem. En dat is interessant. En pijnlijk. En belangrijk.

In november las ik Tussen de wereld en mij van Ta-Nehisi Coates en ik heb er helemaal niets over geschreven. Niets. Zelfs niet in mijn notitieboek. Ik weet niet waarom dat is, want ik vond het indrukwekkend en groots, mooi geschreven en ook de vorm stond me zeer aan. Tussen de wereld en mij is een brief van een schrijver aan zijn zoon, geschreven juist nadat bekend werd gemaakt dat de agent die Michael Brown doodschoot niet vervolgd zal worden. Coates' zoon reageerde wanhopig en verdrietig op het bericht, maar Ta-Nehisi Coates zelf was niet verbaasd. Sterker nog, hij wist het van te voren. Is dat alleen niet al een interessant gegeven? Ik begreep het niet. Coates' boek legt het haarfijn uit.

Vanmorgen las ik in de nieuwste Groene Amsterdammer een stuk van Jan Postma over ‘de zwarte stem’; over Ta-Nehisi Coates' Tussen de wereld en mij, maar ook over Citizen: An American Lyric van Claudia Rankine, Negroland: A Memoir van Margo Jefferson en Notes from No Man's Land van Eula Biss. De tekst heet ‘Niets is onschuldig, alles doet pijn’. Het is fantastisch, alle boeken die worden genoemd staan nu op mijn wenslijst, als ze daar niet al stonden. En Postma lijkt het met mij eens te zijn, bedenk ik me net; blijven confronteren, blijven lezen:

‘En, tot slot, stuitte ik op Twitter voor de zoveelste keer op Impasse, een kort gedicht van Langston Hughes, dat als een soort anti-memoir las: 'I could tell you / If I wanted to, / What makes me / What I am. / But I don't / Really want to – / And you don't / Give a damn.'
     De impasse duurt voort. Maar het toch vertellen is een vorm van beseffen dat het in de echte, fysieke wereld om voorstellingsvermogen draait. Men moet dat uitrekken, net zo lang tot er doden niet vallen. En luisteren is giving a damn.’

woensdag 6 januari 2016

near to the wild heart

~ ‘She twirled around and stopped still, watching without curiosity the walls and ceilig that spun and melted away. She walked on tiptoe only treading on the dark floorboards. She closed her eyes and walked, hands outstretched, until she came to a piece of furniture. Between her and the objects there was something, but whenever she caught that something in her hand, like a fly, and peeked at it—though she was careful not to let anything escape—she only found her own hand, rosy pink and disappointed. Yes, I know the air, the air! But it was no use, it didn't explain things. That was one of her secrets. She would never allow herself to say, even to her father, that she never managed to catch “the thing.” Precisely the things that really mattered she couldn't say. She only talked nonsense to people. Whenever she told Rute secrets, for example, she'd then get angry with Rute. It really was best to keep quiet. Another thing: if something hurt and if she watched the hands of the clock while it hurt, she'd see that the minutes counted on the clock passed and the hurt kept on hurting. Or, even when nothing hurt, if she stood in front of the clock watching it, whatever she wasn't feeling was also greater than the minutes counted on the clock. Now, when happiness or anger happened, she'd run to the clock and watch the seconds in vain.’ (p. 6)

Uit Near to the Wild Heart van Clarice Lispector (New Direction Books, vert. Alison Entrekin).
[ • goodreadscontact • ]

search

Blogarchief