donderdag 29 oktober 2015

heroines

Ik las gisteren Heroines van Kate Zambreno uit, het boek dat de levens van vrouwen uit de schaduwen van hun beroemde schrijvende echtgenoten sleurt. Het gaat over vrouwen die zelf wilden creëren maar door overheersende mannenmeningen ziek werden verklaard; mad women: een vrouw werd hysterisch genoemd als ze zich niet aldoor bezig hield met het huishouden of de kinderen, als ze zelf nadacht, als ze ambities bleek te hebben; ze mocht niet schrijven, of acteren, of schilderen, want dat was een symptoom van hysterie. Bovendien werd alles wat deze vrouwen wel maakten, gecensureerd. Schrijven over eigen ervaringen was niets waard, het leverde immers slechte literatuur op. Die ervaringen, en soms ook hun schrijfsels, werden daarom maar van hun afgenomen door hun partners. F. Scott Fitzgerald, bijvoorbeeld, schreef over zijn mad woman, en maakte gebruik van Zelda's aantekeningen, maar niet voordat het Zelda werd verboden, door haar man en een dokter, zelf over psychiatrie en haar verblijf in klinieken te schrijven; het werd haar verboden te schrijven over zichzelf. Zambrena omschrijft dit fenomeen als ‘[..) she's not her own author. She's a character.’ (p. 234). Fitzgeralds argument: Zelda was zijn muze. Oh, en er zou naast het genie geen plaats zijn voor een middelmatige schrijver.


Over muzen gesproken — Colette Peignot (Frans schrijfster) was volgens George Bataille de zijne. Na haar dood, ze stierf op haar vijfendertigste aan tuberculose, vond Bataille de volgende zin in nagelaten werk: ‘The poetic work is sacred in that it is the creation of a topical event, ‘communication’ experienced as nakedness.’

Zambreno:

‘This is the moment of clairvoyance for Bataille, that he will later mythologize, as he had just been writing, he says later, the same identical sentence. (They share the same mind, or he shares hers, that is how HE the modernist genius views his muse, Fitzgerald who wanted Zelda to be a “complementary intelligence.”)’ (p. 134)

Heroines is een schitterend, woedend boek.

Heroines gaat natuurlijk over veel meer, maar ik neem dit als voorbeeld omdat ik nu Vrouw van Karl Ove Knausgård lees. En dat voelt raar, want ook Knausgård is getrouwd met een vrouw met ambities. Ze schrijft. En is echtgenoot en moeder. En kampt met een psychische stoornis. Zoals veel vrouwen in Heroines volgens het (aldoor groeiende) DSM-boekje kampen met psychische stoornissen.

F. Scott Fitzgerald had ook psychische problemen, gedroeg zich net als Zelda, maar zij werd in klinieken opgesloten terwijl hij, in vrijheid, dronk. Hij kon doen wat hij wilde, hoezeer hij zich ook bezatte.

Karl Ove Knausgård doet eveneens wat hij wil. Ook hij probeerde zijn angsten, twijfels weg te drinken, deed de stomste dingen terwijl hij dronken was. Hij was (is?) zelfdestructief. Maar niemand vraagt zich af of hij wellicht last heeft van een stoornis.

Ik las begin dit jaar Verbroken beloftes van Jenny Offill en vond het redelijk normaal dat de hoofdpersoon het zo nu en dan zwaar heeft, zich eenzaam voelt, twijfelt aan gemaakte keuzes, boos is op haar echtgenoot, hem verwijten maakt. In recensies, echter, las ik dat de hoofdpersoon depressief zou zijn. Het zal wel, dacht ik. Maar nu vergelijk ik haar met andere personages, bijvoorbeel die lamlul in Ben Lerners fantastische roman Vertrek van station Atocha. Wat is hij dan wel niet? Maar dat boek werd geroemd om zijn humor (tsja). Geen woord (geloof ik) over zijn mentale gezondheid.

Dubbel tsja.
*

Wat ik stom van mijzelf vind, is dat ik nu ga twijfelen aan mijn waardering voor Karl Ove Knausgårds boeken. Want ik vind het mooi werk, het probeert te onderzoeken wat het is om mens te zijn. En dat is wat literatuur, wat mij betreft, moet doen.

Waarom dan twijfels? Het gaat niet om Knausgård. Of om zijn boeken. Of, nuja, half; het gaat erom dat deze dikke ik-boeken bestaan, en succesvol zijn, omdat het door een man is geschreven. Vermoedelijk. Ik ken geen vrouwelijk equivalent, en dat vind ik naar; we bestaan toch wel al enige tijd, we maken een groot deel uit van de mensheid, en toch heb ik (tot nu; tot Heroines) nooit eerder gelezen van/over een vrouw die ruimte inneemt en boos is, twijfelt, wil schrijven maar niet exact weet hoe, die weigert zich te conformeren. Ze heeft zichzelf uitgevonden, moeten uitvinden, zoals we dat allemaal moeten doen. Lang, echter, werd de vrouwelijke ervaring door mannen beschreven (Flaubert die beweert dat hij Emma Bovary is ... — ), werd de vrouwelijke ervaring als ‘hysterisch’ omschreven, waardoor het nog altijd lastig is om als vrouw te lezen over (echte, herkenbare, relevante) ervaringen en levens van andere vrouwen: fucked-up vrouwen, mad women, outsiders en buitenbeentjes, de vrouwen die zich buiten begaande paden bewegen —

ik raad iedereen aan Heroines te lezen.

donderdag 8 oktober 2015

de h is van havik (2)

‘[Het] drong (..) tot me door dat sterfelijkheid te maken had met dingen als die koude, door bogen verlichte hemel [ijskringen en bijzonnen]. Dat de wereld vol voortekenen en wonderen is die komen en gaan en die je kunt zien als je geluk hebt. Eén keer, of twee. Of misschien nooit meer. Bij mijn moeder thuis staan albums met allemaal familiekiekjes. Maar ook met foto's van andere dingen. Een spreeuw met een misvormde snavel. Een dag vol rijp en rook. Een kersenboom boordevol bloesem. Onweerswolken, inslaande bliksems, kometen en zonsverduisteringen: hemelverschijnselen die door hun onbevattelijkheid angstaanjagend zijn maar je ook geruststellen omdat de wereld altijd zal blijven bestaan, al ben je niet meer dan een oogwenk in zijn lange levensloop.’ (p. 89)

‘Je constateert dat het leven zich ontpopt als iets wat uit gaten bestaat. Hiaten, verliezen. Dingen die verdwijnen. En dan besef je ook dat je verder moet groeien, om die gaten heen, ertussendoor, waarbij je steeds terug kunt grijpen naar daar waar vroeger iets was, en je die intens glanzende dofheid ervaart van het gebied waar de herinneringen zijn.’ (p. 202)

‘Hoe zeldzamer ze [wilde dieren] worden, des te minder betekenissen ze kunnen hebben. Uiteindelijk zullen ze alleen nog maar gelijkstaan aan zeldzaamheid. De condor is een icoon van het uitstervende dier. Veel anders dan 'enig in zijn soort' is er inmiddels niet van over. En daarin schuilt het kleiner worden van de wereld.’ (p. 213)

Uit De H is van havik van Helen Macdonald (De Bezige Bij, vert. Nico Groen en Joris Vermeulen).

zaterdag 3 oktober 2015

herfstdraden (de h is van havik)

‘De kale vlakte waar we de havik hebben laten vliegen is bedekt met herfstdraden: miljoenen glanzende draden die de wind over elke centimeter grond heeft gekamd. Aangelicht door de ondergaande zon strekt de trillende zijde zich helemaal tot aan mijn voeten uit, als licht op het water. Het is van een onaardse schoonheid, het werk van miljoenen minuscule spinnen die naar nieuw onderdak zoeken. Stuk voor stuk hebben ze een statisch geladen zijden draad de lucht in gesponnen om los te komen van hun broedplaats, waarna ze als onverschrokken ballonvaarders zijn opgestegen, zich zwevend verspreiden en ergens neerkomen. Ik kijk lange tijd naar het veld. Het doet me denken aan een avond in het afgelopen najaar, tijdens die reis naar Oezbekistan. Daar, op de grond voor mijn tent, zat ik me af te vragen of de afschuwelijke stank die me bereikte afkomstig was van een rottende koe of iets veel ergers. Voor me lagen kilometers moeras en woestijn, en in de verte verdwenen de Fergana-bergen in een waas. Opeens zag ik bijzonder vreemde dingen in de lucht hangen die ik maar niet kon thuisbrengen. Ze zagen eruit als witte vraagtekens en overtraden op verontrustende wijze de wetten van de natuurkunde. Het was volslagen windstil, en toch hingen ze daar, daalden en stegen ze met bovennatuurlijke traagheid. Wat was dat in godsnaam? Ik ging er een achterna. Ik ging er zo dicht bij staan dat het zich vijftien centimeter van mijn neus bevond, maar nog steeds begreep ik niet wat het was. Het was zo lang als mijn hand van pols tot vingertoppen; het was wit, en grillig als de krabbel die je met een bijna lege pen maakt, en ik kon niet vaststellen van welk spul het was gemaakt. Het deed me denken aan manna, soda, as en serpentinespray. En toen keek ik er nog eens heel, heel aandachtig naar, terwijl het heel, heel traag opsteeg, en daar, van onder uit dat witte, schuimige kluwentje, liep een nagenoeg onzichtbaar draadje. En helemaal onder aan dat draadje bevond zich een spinnetje zo klein als het woord 'aha'.’

Uit De H is van havik van Helen Macdonald (De Bezige Bij, vert. Nico Groen en Joris Vermeulen), p. 175-176.