zaterdag 29 december 2012

the old ways

Er is het idee dat wandelen kan zorgen voor ruimte in je hoofd. Een ruimte voor het laten wortelen van ideeën, en het opmerken van details (verbanden) die anders gemakkelijk genegeerd worden. Wat dan volgen kan: inzichten, wijsheid; een filosofie. Het is alsof onze voeten weten (maar geen behoefte hebben aan erkenning, en de kennis dus maar doorspelen naar boven):

‘‘I can only meditate when I am walking,’ wrote Jean-Jacques Rousseau in the fourth book of his Confessions, ‘when I stop I cease to think; my mind only works with my legs.’ Soren Kierkegaard speculated that the mind might function optimally at the pedestrian pace of three miles per hour, and in a journal entry describes going out for a wander and finding himself ‘so overwhelmed with ideas’ that he ‘could scarcely walk’. Christopher Morley wrote of Wordsworth as ‘employ[ing] his legs as an instrument of philosophy’ and Wordsworth of his own ‘feeling intellect’. Nietzsche was typically absolute on the subject – ‘Only those thoughts which come from walking have any value’ – and Wallace Stevens typically tentative: ‘Perhaps / The Truth depends on a walk around a lake.’ In all of these accounts, walking is not the action by which one arrives at knowledge; it is itself the means of knowing.’ (p. 27)

(Er is ook het idee dat de mens zich spiegelt aan het landschap. Of andersom. Dat het landschap lijkt op de staat van de mens. Maar dat terzijde (want dat is een veel triester verhaal en dit boek gaat daar niet over).)

Robert Macfarlane is, naast zelf vele kilometers te hebben afgelegd, meegereisd met eerdere wayfarers als (onder anderen) Edward Thomas, Walt Whitman, Nan Shepherd: deze wanderaars schreven ooit boeken over hun ervaringen en inzichten, en Macfarlane hecht een grote waarde aan deze slenterboeken. Naast het geven van enkele voorbeelden probeert Macfarlane het zelf ook (hij borduurt zelfs iets verder):

‘I have long been fascinated by how people understand themselves using landscape, by the topographies of self we carry within us and by the maps we make with which to navigate these interior terrains. We think in metaphors drawn from place and sometimes those metaphors do not only adorn our thought, but actively produce it. Landscape, to borrow George Eliot's phrase, can ‘enlarge the imagined range for self to move in’.
As I envisage it, landscape projects into us not like a jetty or peninsula, finite and bounded in its volume and reach, but instead as a kind of sunlight, flickeringly unmappable in its plays yet often quickening and illuminating. We are adept, if occasionally embarrassed, at saying what we make of places — but we are far less good at saying what places make of us. For some time now it has seemed to me that the two questions we should ask of any strong landscape are these: firstly, what do I know when I am in this place that I can know nowhere else? And then, vainly, what does this place know of me that I cannot know of myself?’ (p. 26)

Robert Macfarlane schrijft weinig tot niets over zichzelf. Maar dat wat hij hierboven zegt, is eigenlijk alles. En dus genoeg. Hij geeft namelijk iedere keer weer antwoord op deze vragen. Wat weet ik nu ik hier ben dat ik nergens anders te weten kan komen? Wat weet deze plaats van mij dat ik nog niet over mijzelf weten kan? Het is makkelijk deze vragen te vergeten, ieder hoofdstuk te lezen alsof het enkel ervaringen zijn zonder echte aandachtspunten: Macfarlane schrijft zo subtiel dat je er geen aandacht aan hoeft te schenken, mocht je dat niet waardevol vinden. Maar het is wel interessant, want waar ligt de grens? Op deze manier wordt een beeld geschetst dat zowel symbolisch (een idee) als letterlijk (het beeld) overtuigt.
Het landschap is dus werkelijk een personage, hier. Of gewoon weer zo'n spiegel. Het is niet te scheiden. De mens en zijn natuur, de natuur en zijn mens. 

The Old Ways is een prachtig beschreven spiegel. Ook dat nog. Het is zó kraakhelder en stil geschreven dat het rustgevend is. Dit is dan ook een perfect boek om te lezen voor het slapen gaan – wat dan overgeheveld wordt is niets dan wind, bomen, vogels, sterren, de zee. Nieuwe werelden (want: Tibet, Palestina, Spanje, Schotland), nieuwe ideeën. The Old Ways is een (her)ontdekkingsreis voor zowel de schrijver als de lezer.

+ De website van The Library of the Forest, de bibliotheek die Robert Macfarlane bezocht toen hij in Spanje was:

‘Each book records a journey made by walking, and each contains the natural objects and substances gathered along that particular path: seaweed, snakeskin, mica flakes, crystals of quartz, sea beans, lightning-scorched pine timber, the wing of a grey partridge, pillows of moss, worked flint, cubes of pyrite, pollen, resin, acorn cups, the leaves of holm oak, beech, elm.’

zondag 23 december 2012

zo raak je haar kwijt

Een tijdje terug las ik ergens een artikel van iemand (ik weet werkelijk niet meer wie het schreef, maar ik geloof dat het een vrij bekende auteur heeft) over de gewoonte van de lezer van nu om vooral boeken te willen lezen waarin personages voorkomen die 'leuk' zijn. Of, personages waarmee je je kunt identificeren. Het heeft natuurlijk met de tijd te maken, deze tijd waarin boekhandels en uitgeverijen grotendeels reageren op cijfers in plaats van kwaliteit, en boeken verkocht worden omdat er over gepraat wordt (door wie dan ook). Lezen lijkt te worden gezien als tijdverdrijf, als een ontspannend tijdverdrijf. En dus moet het niet te moeilijk zijn, niet te ongemakkelijk. (Ik bedoel niet dat lezen werk moet zijn, ik wil zeggen dat er op deze manier veel moois geen aandacht krijgt..)

Zo raak je haar kwijt krijgt van sommige lezers nogal wat commentaar naar aanleiding van het onchristelijke gedrag van een groot aantal personages. Leugenaars en bedriegers zouden onze tijd niet waard zijn. Het is uiteraard niet eerlijk, en nogal kortzichtig, een boek te beoordelen naar aanleiding van de likability van hoofdpersonen. Junot Díaz heeft zich hier tijdens het schrijven van zijn verhalen niets van aangetrokken. Integendeel: hij lijkt in deze verhalen de confrontatie te willen aangaan. Hij wil heftige reacties teweeg brengen; hij daagt uit. De harde woorden lijkt hij te gebruiken om de juiste lezer te bereiken: deze woorden zullen de lezer die zich al stoort aan gedrag, weg houden (of sturen). Als lezer zou je toch moeten beseffen dat (de meeste schrijvers) nadenken over wat ze doen, over welke woorden gekozen worden. Je zou toch op z'n minst moeten toegeven dat dit mogelijk is. Wanneer je dat inziet, begrijp je dat die keuze onderdeel kan zijn van een verhaal.

De verhalen in Zo raak je haar kwijt zijn meeslepend en mooi geschreven (niet ieder verhaal is even overtuigend, maar er zijn weinig bundels die bestaan uit enkel sterke verhalen), vol vloeiende zinnen die ervoor zorgen dat een verhaal zomaar uit is. Dit betekent niet dat het simpele verhalen zijn; ze vertellen niet alleen over verbroken relaties. Ieder personage komt oorspronkelijk uit de Dominicaanse Republiek en heeft het zwaar in een nieuwe, niet altijd even vriendelijke, maatschappij. Jonge kinderen die thuis worden gehouden bij een ongelukkige moeder, terwijl papi aan het werk is; een zieke broer die zich het huis uit laat zetten en geen idee meer heeft van wat hij doet – er is een afstand: de wereld van deze immigranten is vaak onherkenbaar. Daar komt bij dat Junot Díaz zijn karakters zo nu en dan Spaanse straattaal laat spreken. De lezer wordt aan de kant gehouden, expres. Het gebruik van Spaans stoort overigens niet, het wordt sporadisch door de zinnen gevlochten en altijd is uit de context op te maken wat er staat (en zo nu en dan wil je het eigenlijk niet weten).

Zo raak je haar kwijt is alleen al waardevol vanwege het beeld dat de schrijver weet te schetsen van verloren immigranten, omdat het zo gevoeld is. Is dat officieel mogelijk, die combinatie? Het is een gevoeld boek. Angst, depressie, spijt, verdriet. Iedereen doet zo z'n best en dat gaat niet altijd even soepel, maar als toeschouwer is dat soms zo prachtig (gemeen, niet?). 

vrijdag 14 december 2012

valse papieren

Steeds vaker krijg ik het gevoel dat we in wezen allemaal in een andere, eigen wereld leven. Ik bedoel niet alleen dat we verschillende reacties hebben in diverse situaties, ik heb het nu meer over het beleven, en in dit geval het vertalen van het beleven naar woorden op papier.

Ooit schreef ik voor mijn nichtje een paar woorden, woorden die zeer uiteenlopende beelden, ideeën, gevoelens kunnen opwekken. Ik wist dat toen. Nu zit het me een beetje dwars. Of, ik denk er veel over na. Ik hoop dat ze er niet te veel over na zal denken, ooit, maar ik kan me niet voorstellen dat er mensen bestaan die woorden niet van alle kanten willen bestuderen. Het is natuurlijk mogelijk dat ze er op latere leeftijd nooit veel aandacht aan zal besteden. Of misschien, en dit hoop ik, zal ze sterk genoeg zijn om te zien dat de duisternis en het licht gewoon familie is, dat de manier waarop je naar iets kijkt kan verschillen en dat je daar zelf iets over te zeggen hebt.
Maar het gevolg heb je niet in de hand.

Nu denk ik: ik kan het woord voor woord uitleggen. Iedere intentie blootleggen. Maar dan verdwijnt de glans van iets dat mysterie zou kunnen zijn. Ik weet niet wat een uitleg precies zegt. Iets op verschillende manieren bekijken, op verschillende manieren zien – die ruimte moet blijven.

Ik hoop, tijdens het schrijven, dat het overkomt. Dat iets overkomt. Niet voor een ander maar, misschien wat egoïstisch, omdat ik hoop een essentie te vangen. Een wanhoop die ik voel en waar ik geen grip op heb. Wederom dat mysterie. Het is egoïstisch omdat het een poging is om mijzelf te begrijpen: wat er in me omgaat, waarom ik bepaalde dingen denk of voel of zeg. Vaak genoeg is het niet eerlijk, en niet logisch – toch is het er.

Hetzelfde (de zoektocht) betreft het lezen. Maar lezen kan gemakkelijker zijn, een ander heeft immers al woorden gezocht, gekozen. Er is een kleine mogelijkheid dat die woorden passen. Vaak verdwijnen alinea's, hoofdstukken, boeken, echter in het niets.
Zo nu en dan kom je een boek tegen dat meer vraagt. Soms merk je dat tijdens het lezen, ik besef me dit regelmatig pas nadat ik het boek al enige tijd uit heb. Twee maanden terug las ik Valse papieren, en nog steeds is het voor mij lastig aan te geven waarom ik het zo'n goed boek vind. Het is, wat dit boek betreft, een chaos in mijn hoofd. Ik heb nog steeds geen idee, desondanks lijk ik er iets over te kunnen schrijven. Ik weet in ieder geval dat ik ervan heb genoten, en dat ik denk dat ik iets in haar boek heb gevonden. Iets waar ik zelf geen woorden meer voor hoef te zoeken.

(Beleving. Essentie.)

Oké. Valse papieren is in principe een verzameling essays, waarvan de schrijfster Valeria Luiselli de hoofdpersoon is. Ze wandelt, fietst, door steden. En achteraf schrijft ze. Over portiers en relingo's en computers, over saudade, en over de graven van aartsvijanden Ezra Pound en Joseph Brodsky. Ze ziet veel, zowel in haar heden als het verleden van haar favoriete schrijvers. Luiselli is woorddronken, schreef iemand ergens. Dit is waar. Ook zij bekijkt ieder woord op alle mogelijke manieren. Ze heeft niet alleen veel gelezen, ze voelt een verbinding met de auteurs van de favorieten, en met de wereld waarin zij ooit leefden. Een wereld die ze dus op een manier delen.
Ik houd van het doorgronden, van het peinzen, het mijmeren van Valeria Luiselli. We zijn zo verschillend, natuurlijk, maar ergens zijn we ook een beetje hetzelfde.

Die verbinding die zij voelt met o.a. Joseph Brodsky, die verbinding voel ik met haar. Of eigenlijk, met haar schrijven. Valse papieren is nog maar haar eerste boek. Luiselli's tweede boek, De Gewichtlozen, zal in het najaar van 2013 verschijnen.

Ter afsluiting, een kleine passage uit Cees Nootebooms zeer lovende voorwoord:

‘Wat is er nu eigenlijk aan de hand in dit boek, wat maakt het zo betoverend, terwijl dat woord niet lijkt te passen bij het soms hoge niveau van abstractie, bij pertinente uitspraken waarbij de lezer, nadat hij zes woorden verder is even pas op de plaats moet maken om terug te lezen: 'Om het graf te vinden dat we zoeken, met de juiste inscriptie, is het zaak zorgvuldig de kneuzingen in het marmer na te lopen.' Het moet de combinatie van onbevangenheid en intelligentie zijn, die elk op hun eigen manier een eigen methode van kijken en schrijven tot gevolg hebben. Je moet goed kunnen kijken om te weten waar je niet bent, want dan pas weet je waar je wel bent [..].’ (p. 12)

+ Vertaler Merijn Verhulst schreef een artikel over het vertalen van Valse papieren, het is erg de moeite waard, alleen al om een idee te krijgen van het werk van zowel schrijfster als vertaler.