zaterdag 18 februari 2017

de uitvinder van de natuur

Ik heb heimwee naar groen. Zozeer dat ik momenteel allerlei kamerplanten aanschaf om de heimwee enigszins te temperen. Gistermiddag las ik De uitvinder van de natuur van Andrea Wulf uit. Het laatste deel, over John Muir en natuurbehoud, deed me beseffen dat mijn heimwee niet alleen bestaat uit een verlangen naar zomerbomen; ik ben ook boos. Boos omdat er niets veilig is als het geld oplevert, boos om wat er ondertussen allemaal al is verdwenen. Ik wil de wereld groener maken, ik ben van mening dat ik dat de wereld verschuldigd ben.

*

Alexander von Humboldt (1769-1859) was de eerste wetenschapper die de natuur als samenhangend geheel beschouwde, én grondlegger van de milieubeweging, schrijft Andrea Wulf:

‘Humboldt was de eerste die het cruciale belang van bossen voor eco-systeem en klimaat uiteenzette: bomen nemen water op en verrijken de atmosfeer met waterdamp, ze beschermen de bodem en zorgen voor een verkoelend effect. Hij sprak ook over de zuurstofproductie van bomen en de invloed daarvan op het klimaat. De effecten van menselijke inmenging waren nu al ‘onoverzienbaar’, betoogde hij, en zouden catastrofale vormen aannemen als we doorgingen de wereld zo ‘genadeloos’ te verstoren.’ (p. 86)

In het jaar 1800 schreef Humboldt al over het gevaar van menselijke inmenging. Dat is tweehonderdzeventien jaar geleden. Ik weet niet of ik me voor kan stellen hoe groen de wereld was toen Humboldt leefde, of ik me voor kan stellen hoezeer de wereld is veranderd door ontbossing en landbouw (/kolonialisme).

*

Humboldts boeken werden graag gelezen, niet alleen door wetenschappers: hij werd buitengewoon populair door wetenschappelijke informatie met natuurbeleving en -beschouwing te combineren. Dit nieuwe genre sprak ook ‘gewone’ mensen aan:

‘In Ansichten der Natur toonde Humboldt aan dat de natuur de menselijke verbeelding kon beïnvloeden. De natuur, zo schreef hij, stond in een geheimzinnig soort verbinding met ons ‘innerlijk leven’. (..) Wat wij tegenwoordig vanzelfsprekend vinden – namelijk dat er een verband bestaat tussen de externe wereld en onze gemoedstoestand – was voor Humboldts lezers een openbaring. Alleen dichters hadden zich tot dan toe met dat soort ideeën ingelaten; wetenschappers nooit.’ (p. 175)

Veel natuurboeken van nu (van schrijvers als Robert Macfarlane, Helen Macdonald, Annie Dillard en Amy Liptrot) zitten op eenzelfde manier in elkaar, hoewel ik nog geen hedendaagse schrijver ben tegengekomen die zoveel elementen met elkaar weet te verbinden als Humboldt deed in zijn Kosmos-boeken. Daarin schreef hij over oceanen, aardbevingen, meteorologie, geografie en astrologie; over organisch leven en ‘de ‘perpetuele wisselwerking’ tussen lucht, wind, zeestromen, hoogteligging en de plantendichtheid op het land.’ (p. 308) Niet voor niets bestaat de Kosmos-reeks uit vijf boeken. Het manuscript van het laatste deel leverde hij kort voor zijn dood in 1859 in bij zijn uitgever.

Humboldts ‘Naturgemälde’. De kaart (54 x 84 cm) hoorde bij Humboldts Ideen zu einer Geographie der Pflanzen (1807) 

Ansichten der Natur is altijd Humboldts persoonlijke favoriet gebleven. Het is naast een lyrisch natuurboek ook een filosofisch werk. Humboldt gebruikte in de regel de ‘Naturgemälde’ (een afbeelding van de vulkaan Chimborazo waarop met lijnen staat aangegeven welke vegetatie op welke hoogte te vinden is) om zijn theorie van de natuur als één groot web van leven te verduidelijken. Volgens Andrea Wulf slaagt Ansichten der Natur daar nog beter in door de vele poëtische beschrijvingen, en is het vanwege het beschouwende karakter bovendien een filosofisch werk.

*

Tijdens zijn leven inspireerde Humboldt onder andere Johann Wolfgang von Goethe, ze waren goed bevriend. Ook na Humboldts dood was hij voor velen een grote inspiratiebron: Ralph Waldo Emerson, Henry David Thoreau, Walt Whitman, en John Muir waren bijvoorbeeld grote bewonderaars van Humboldts natuurboeken. Wulf schrijft hierover:

‘De cirkel van Humboldts ideeën was rond. Humboldt had een aantal vooraanstaande denkers, wetenschappers en kunstenaars beïnvloed, en op hun beurt inspireerden die elkaar. Humboldt, [George Perkins] Marsh en Thoreau voorzagen samen in het intellectuele kader waarmee Muir de veranderende wereld om zich heen zag.’ (p. 403)

John Muir zag dat er in zijn geliefde Yosemite Valley steeds meer reuzensequoia's verdwenen en besloot zich actief in te zetten voor natuurbehoud. Door teksten als ‘The Treasure of the Yosemite’ te publiceren, waarmee hij een groot publiek wist te bereiken, heeft hij er mede voor gezorgd dat de Yosemite Valley in 1890 een nationaal park werd. Een aantal jaar later vocht hij tegen de bouw van een dam in de Hetch Hetchy Valley (de ‘tweede Yosemite’) door ‘het eerste geschil tussen de aanspraken van de natuur en de eisen van de cultuur – tussen natuurbehoud en vooruitgang’ (p. 409) in gang te zetten. De dam werd uiteindelijk wel degelijk gebouwd – Niets wat geld kan opleveren is veilig, al is het nog zo beschermd, concludeerde Muir – maar zijn poging was een belangrijk voorbeeld voor daaropvolgend activisme en later natuurbehoud.

*

De Amerikaanse senaat blijkt akkoord te zijn gegaan met de benoeming van Scott Pruitt als hoofd van het EPA (Environmental Protection Agency) (zie The Guardian). Het EPA bestaat om het milieu en de volksgezondheid te beschermen, maar Pruitt is openlijk een climate change skeptic en geen voorstander van het EPA:

‘Pruitt has sued the EPA, the agency he is now set to lead, multiple times over what he considers to be unwarranted meddling by the federal government. He has targeted regulations that limit air pollution haze in national parks, methane leaks from drilling, and mercury and arsenic seeping from power plants.’ (bron: The Guardian, 8 dec. 2016)

... niets wat geld kan opleveren is veilig, al is het nog zo beschermd. (De wereld moet groener, ik weet het zeker.)

zaterdag 4 februari 2017

the nature of things/ ali smith

In Public library and other stories van Ali Smith staat een verhaal over een vrouw die langzaam verandert in een rozenstruik. Allereerst zijn er ademhalingsproblemen, later verschijnen er vreemde plekken op het lichaam, ‘woody, dark browny greeny, sort of circular, ridged a bit like bark, about the size of a two pence piece.’ Smiths personage raakt er aan gehecht, heet ieder nieuw groeisel welkom. Een dokter raadt aan verschillende klinieken te bezoeken: ‘Oncology Ontology Dermatology Neurology Urology Etymology Impology Expology Infomology Mentholology Ornithology and Apology [..] Tautology [..]. He'll cut it straight out.’

herman de vries/ rosa canina (1994)

Als ze weer naar huis wandelt komt de vrouw (mensen hebben geen naam in dit verhaal) een gypsy tegen die lucky white heather verkoopt. Ze geeft al haar geld weg, in ruil voor een paar takjes witte heide. (Volgens Britse folklore groeit witte heide op het graf van een faerie, of op plekken waar tijdens veldslagen geen bloeit heeft gevloeid; het zou geluk brengen.) Bij wijze van afscheid zegt de gypsy haar:

‘may the road rise to meet you, may the wind always be at your back, may the sun shine warm upon your face, may the rains fall soft upon your fields, and until we meet again may absence make your heart grow, and I think that may well be a very nice specimen you’ve got there in your chest, if I’m not wrong, a young licitness.’ 

Ze verstond het niet goed, er werd haar eigenlijk verteld dat er ‘a Young Lycidas’ uit haar borst groeide; een Engelse roos.

*

Ik probeerde aan de hand van Ali Smiths Autumn een indruk te geven van Smiths schrijfkunsten maar het lukte me niet, ik bleef maar tegen een wanhoop opbotsen die met Trumps kwaadaardigheid te maken heeft. Ik schreef keer op keer iets nieuws in de hoop dat ik iets kon bewaren, een paar zinnen, maar er bleef niets over behalve Ali Smiths woorden. En dat is beter, ik ben er nooit goed in geweest in heldere taal te reageren op ‘current events’.

Omdat ik nog steeds niet weet wat voor schrijver ik zelf ben (als ik al een schrijver ben) overkomt me dit regelmatig: dat ik een bepaald onderwerp wil behandelen, en dat het me simpelweg niet lukt. Ik probeer nu al een half uur uit te leggen waarom dat zo is, terwijl ik, zoals ik al zei, begon met de intentie het over Smiths schrijfkunsten te hebben. Vandaar: schluß. 

*

Het verhaal dat ik hierboven beschrijf heet ‘The beholder’. Het is mogelijk dat de jonge vrouw depressief is, dat ze de realiteit uit het oog verliest, maar ik herken iets in haar neiging afstand te nemen van de wens te begrijpen wat er gebeurt, en haar intuïtieve overgave aan het groene in haar lijf (en het leven). Het is niet zozeer dat ze haar menselijkheid verliest, eerder dat ze erkent dat de mens niet alleen bestaat uit vlees en bloed.

Ali Smith schenkt veel aandacht aan het langzame leven, in ons lijf & om ons heen, en kan dat op een (voor mij) onweerstaanbare manier verwoorden;

‘I have never yet managed to see the moment of the petals of a bud unfurling. I might dedicate the rest of my life to it and might still never see it. No, not might, will: I will dedicate the rest of my life, in which I walk forward into this blossoming. When there's no blossom I will dead-head and wait. It'll be back. That's the nature of things.’

(Ik weet dat ik totaal geen aandacht schenk aan de metafoor; ik ben daar momenteel niet in geïnteresseerd. Ik denk liever na over de relatie mens/plant, droom over plantaardige eigenschappen (misschien ontdekt iemand ooit dat het menselijk lichaam wel degelijk bloemen kan maken); ik besteed mijn tijd 't liefst aan de trage beweging van stil en groen leven. In mijn lijf (/hoofd) & om ons heen.)

donderdag 2 februari 2017

autumn/ ali smith

‘(..) I’m tired of the news. I’m tired of the way it makes things spectacular that aren’t, and deals so simplistically with what’s truly appalling. I’m tired of the vitriol. I’m tired of the anger. I’m tired of the meanness. I’m tired of how we’re doing nothing to stop it. I’m tired of how we’re encouraging it. I’m tired of the violence there is and I’m tired of the violence that’s on its way, that’s coming, that hasn’t happened yet. I’m tired of liars. I’m tired of sanctified liars. I’m tired of how those liars have let this happen. I’m tired of having to wonder whether they did it out of stupidity or did it on purpose. I’m tired of lying governments. I’m tired of people not caring whether they’re being lied to any more. I’m tired of being made to feel this fearful. I’m tired of animosity. I’m tired of pusillanimosity.
      I don’t think that’s actually a word, Elisabeth says.
      I’m tired of not knowing the right words, her mother says.’ (p. 56-57)

‘Hope is exactly that, that’s all it is, a matter of how we deal with the negative acts towards human beings by other human beings in the world, remembering that they and we are all human, that nothing human is alien to us, the foul and the fair, and that most important of all we’re here for a mere blink of the eyes, that’s all. But in that Augenblick there’s either a benign wink or a willing blindness, and we have to know we’re equally capable of both, and to be ready to be above and beyond the foul even when we’re up to our eyes in in.’ (p. 190)

search