zaterdag 24 december 2011

logboek van een onbarmhartig jaar

dip de; m -s 1 inzinking, dieptepunt 2 geestelijke inzinking van korte duur

... en een flinke. Een inzinking. Mijn leesleven staat op het spel. Dat klinkt heel dramatisch, en dat is het ook. Voor mij, in ieder geval. Lezen hoort bij het dagelijks leven, bij mijn dagelijks leven. Lezen is leven, en als alle boeken die ik, vol enthousiasme, begin te lezen dan ineens tegen vallen, lijkt er iets uitéén te vallen. Ik struin al dagen wanhopig blogs af, in de hoop een titel tegen te komen die ik wil lezen, maar het zit nog niet mee.

Ik schreef begin december dat ik op zijn minst twee blogs zou schrijven, over verschillende boeken. Dat gaat me niet lukken, ik wil namelijk niet schrijven over boeken die teleurstellen, of de tijd en/of energie niet waard zijn.

Logboek van een onbarmhartig jaar van Connie Palmen was het enige boek in december dat wel indruk maakte (nouja, tot nu toe) maar ik vind het moeilijk om over zo'n soort boek iets te zeggen. Ik las kortgeleden een stuk op de website van De Groene Amsterdammer, geschreven door Marja Pruis (van dat leuke boek Kus me, straf me), dat perfect beschrijft waarom ik dit boek zo mooi vind. Het is eerlijk, persoonlijk, menselijk. Het is zoals het leven kan zijn, en zoals het leven is voor Connie Palmen. Of, is geweest. Of, nog een tijdje zal zijn. Ik vind het raar dat mensen kritiek kunnen hebben op zo'n soort boek. Palmen legt zelf, heel duidelijk, uit waarom ze dit boek heeft laten publiceren: ze kon zelf, in de tijd na de dood van Hans van Mierlo, niet het boek vinden dat ze nodig had. En daarom schreef ze het zelf. En ook: tegen het vergeten. Naar vind ik de kritiek omdat het om een leven en een dood gaat. En niets is persoonlijker dan dat. Hoe kun je, als medemens, nu zeggen dat Connie Palmen een lijkenpikker is? Bovendien lijkt men rouwliteratuur van mannen langs een andere meetstaf te houden in de literatuurkritiek. 

donderdag 8 december 2011

gelezen (5)

‘I was struck by the way the light felt that afternoon. I have paid a good deal of attention to light, but no one could begin to do it justice. There was the feeling of a weight of light—pressing the damp out of the grass and pressing the smell of sour old sap out of the boards on the porch floor and burdening even the trees a little as a late snow would do. It was the kind of light that rests on your shoulders the way a cat lies on your lap. So familiar.’ (p. 51)

Uit Marilynne Robinsons Gilead.

search